[image ALT: Much of my site will be useless to you if you've got the images turned off!]
mail:
Bill Thayer

[image ALT: Click here for a help page in English.]
English

[image ALT: Cliccare qui per una pagina di aiuto in Italiano.]
Italiano

[Link to a series of help pages]
Help
[Link to the next level up]
Opwaarts
[Link to my homepage]
Home

Deze webpagina reproduceert een artikel in
De West-Indische Gids
Vol. 8 (1926‑1927), pp69‑84

De tekst is in het publieke domein:
Samuel Kalff, de auteur, stierf in 1932.

Deze pagina is zorgvuldig nagelezen
en ik geloof dat ze foutloos is.
Als je echter een fout vind, laat het me weten!

p69 Joden op het eiland Curaçao

door

S. Kalff

In het archief van de Portugeesche gemeente te Amsterdam berusten bescheiden, waaruit blijkt dat tegen het midden van de 17de eeuw uit de nog jonge moedergemeente groepen emigranten afvloeiden naar West-Indië, naar kustlanden en eilanden, die voor korteren of langeren tijd Hollandsche koloniën waren. Naar Suriname in de eerste plaats, waar zij de bekende Joode Savanne stichtten, maar ook naar Cayenne, Barbados, Jamaïca, Tobago, Nevis, St. Eustatius, enz.

Als reeders, planters, kooplieden, winkeliers, enz. namen Spaansche en Portugeesche Joden in deze koloniale samenleving welhaast eene belangrijke plaats in. De West Indische Compagnie voerde met hare schepen gestadig zulke emigranten over om hare nieuwe volkplantingen in Noord- en Zuid-Amerika te helpen "peupleeren", en onder deze was het Joodsche element naar verhouding ruim vertegenwoordigd. 't Waren fortuinzoekers gelijk de rest, maar geenszins in de ongunstige beteekenis van het woord, noch waren 't allen berooide fortuinzoekers. Velen brachten naar het vreemde land hunne kapitalen en hunne handelsrelaties mede; ook naar het eiland Curaçao1 dat in 1634 door de Nederlanders op de Spanjaarden veroverd was. Enkelen vestigden zich mede op de naburige kleinere eilanden Bonaire, Aruba, St. Martin, Saba en St. Eustatius, welke daarna te samen (St. Martin ten deele) onder het bestuur zouden worden geplaatst van een gouverneur, bijgestaan door een Kolonialen Raad.

p70 Het Joodsche element werd in Suriname, op Curaçao en elders nog versterkt door emigranten uit Brazilië, nadat Nederland die kolonie in 1647 had moeten prijsgeven aan de Portugezen. Deze uitgewekenen hadden in dat "verzuimd Brasil" gelijk v. Haren het in zijn treurzang noemde, den tropischen landbouw leeren kennen. Zij brachten die kennis, eenigen ook hun kapitaal, naar hunne nieuwe woonplaatsen over, en werden er plantage- en slavenhouders. 't Heette dat zij op Curaçao ten aanzien van hunne woonplaats aan restricties onderworpen waren en dat op de hoofdplaats Willemstad het onstaan der buitenwijken Pietermaai (van Pieter de Mey) en Scharlo waarschijnlijk moest worden toegeschreven aan de bepaling, dat Israelieten niet binnen de kom der hoofdstad mochten wonen. Doch Hamelberg schreef, dat van een dergelijk verbod in de archieven niets te vinden was. Integendeel pleitte voor hunne gelijkgerechtigheid in dit opzicht het feit dat de Joden, evenals de overige ingezetenen, de burgerwacht moesten betrekken (behalve op den sabbath) of die afkoopen; en oorspronkelijk alleen de burgers, die in de stad zelve woonden, verplicht waren tot het doen van "tocht en wacht".

Nadat eenige moeilijkheden met het bestuur door tusschenkomst van de Amsterdamsche moedergemeente bij de W. I. Comp. waren uit den weg geruimd, werden de Joden met de overige burgers in de meeste opzichten gelijkgesteld. De "vrijheden ende exemptiën", door bewindhebbers aan David Nassy en zijne volgelingen op Cayenne toegestaan, golden ook voor de overige bezittingen der Comp. Art. 7 daarvan luidde:

"Oock zullen de Jooden genieten sodanige vryheyt van conscientie met publicque exercitie, Cinagoge en schoolen gelyck by henluyden gebruyckelick is in de Stad van Amsterdam volgens de Leere van hunne ouderlingen, zonder eenige verhinderinge, soo int district van dese colonie (Cayenne) als in alle andere plaatsen van onse domeynen, ende dat met alle exemptiën ende vryheden die onse ingeboorenen burgers genieten, want wy henluyden voor soodanigen houden."

p71 Deze zekerheid van vrije godsdienstoefening in eene kolonie, waar "de ware gereformeerde religie" de staatskerk was, met nog de zekerheid voor lijf en goederen, lokte weldra het Joodsch kapitaal en de Joodsche "uytwykelingen". De verdrijving der Joden uit Brazilië door de Portugeezen kwam ook aan de bevolkingssterkte op Curaçao ten goede. In en verzoekschrift van 1727 aan den gouverneur (de vroegere titel was directeur) Jan Noach du Fay noemden de Joden zelve, als het tijdstip hunne eerste vestiging op het eiland, het jaar 1659. Tevens werd daarin verklaard, dat zij bij hunne komst der bewindhebbers der Comp. waren aanbevolen bij den directeur Matthias Beck "om hen met neegers, paarden en alles te assisteeren, en landen aan te wijzen". Voorts dat zij zich op die gronden met den landbouw hadden bezig gehouden "totdat zij mettertijd de negotie aangesleept hebben".

Wellicht hadden sommige van deze nieuwe kolonisten behoord tot degenen, die met David Nassy naar Cayenne waren geweest, krachtens de vergunning van bewindhebbers om aldaar eene kolonie te stichten, of op eene andere plaats aan de wilde kust van West-Indië. (Onder die wilde kust verstond men de streken aan de noordkust van Zuid-Amerika, welke alleen door Indianen bewoond werden). Onder de emigranten uit Nederland behoorden ook geestelijken; zoo werd bv. aan den rabbijn Josua Pardo in 1674 vergunning verleend om met vrouw en zes kinderen naar Curaçao te vertrekken met vrijstelling van de verschuldige 2 pCt. recognitiepenningen voor zijn mede te nemen huisraad. Alle emigranten vestigden zich ter hoofdplaats op een punt genaamd het Jodenkwartier, en daar hadden zij reeds vóór 1680 hunne synagoge gebouwd. Uit dat jaar dagteekent eene oorkonde, welke voorzien was van de handteekeningen van den rabbijn Josseyahu Pardo en Daniël Aboab, en het duplicaat in de Portugeesche taal van de handteekeningen van een aantal Joodsche notabelen, luidende:

"Wy ondergeschreven alle van de Jootse natie verclaren ende attesteren by desen onse onderteeckeninge waer ende waarachtigh te syn, dat wy naer genoomen resolutie p72in de vergaderinge van onse kerk ofte Synagoge den heer directeur Nicolas van Liebergen eenige dagen na syn Ed. voorstellinge (inhuldiging) alhier door onse gedeputeerden begroet ende bejegent hebben met een Regaal van een Lampet Schootel neffens een Lampet, synde silver, wegende beyde omtrent 13 marq. Syn Ed., na voorgaende refuys, persuadeerende hetselve regaal te willen aannemen, vermits het hier by onse Natie altyt de gewoonte is geweest aen een nieuw gestelde directeur ofte gouverneur in diervoegen haere Salutatie te offereeren, alleenlyck om ons alsoo in desselfs gunste en vrintschap gerecommandeert te hebben. Considererende hetselve te wesen onse schuldige plicht ende eerbieigheyt sonder meer, dienvolgende verclaerende ende attesteerende dat wy in geenerhande manieren hebben gesolliciteert, veel minder oock van den welgemelte heer becoomen of ter saacke voorz. verscregen eenige saecken ofte dingen, die wy van syn Ed. Praedecesseurs omtrent onse handelinge niet al te vooren souden gehadt hebben, ende specialycken niet eenige het minste consent en pouvoir omme met de Indianen ende naturellen van dit Landt te mogen handelen ende negotieeren, declarerende over sulcx voor de oprechte waerheyt dat al sulcke beschuldigingen van wie dieselve oock souden mogen voortkomen, zyn leugenachtigh, puur valsch en verdicht. Twelcke wy desnoots en daertoe verocht synde tevreden syn ende presenteeren met solemnele Eede te bevestigen. Toirconde deses geteeckent in Willemstadt op Curaçao den 30 October 1680".

Deze verklaring kon echter niet beletten dat, toen Liebergen later bij bewindhebbers werd aangeklaagd wegens verschillende vergrijpen, de aanneming van deze zilveren lampet of schenkkan een der punten van aanklacht vormde. Zijne instructie toch verbood hem geschenken aan te nemen van personen, "welke van hem in zijne qualiteit iets te verzoeken of eenige zaken met de Comp. uitstaende hebben, of apparent sul verzoeken". Voorts werd hem verweten dat hy de slaven der Comp. gebruikt had voor het omheinen van plantages van particulieren, voornamelijk die der Joden, en dat hij hun dezelfde (kostelooze) p73assistentie verleend had bij den bouw hunner synagoge. De vijanden van den gouverneur trachtten daarmee te insinueeren, dat voor deze goede diensten aan de Joodsche gemeente de wederdienst waarschijnlijk niet was uitgebleven.

In godsdienstzaken betoonde de Comp. zich gemeenlijk toeschietelijk tegenover de Joodsche "coloniers". Wanneer er gouverneurs waren, die hen in de vrije uitoefening van hun godsdienst trachtten te bemoeilijken, dan werden deze daarover aanstonds terecht gewezen; in de parnassim der Portugeesche gemeente te Amsterdam vond men gemeenlijk goede pleitbezorgers. Zoo ontving bv. in 1701 de gouverneur Nicolaas van Beek de aanschrijving:

"Dewyle wy van ter syden berigt syn geworden dat die van de Joodsche Natie op het eylant Curaçao, dewelcke altyd de vryheit en privilegie gehad hebben haar te gouverneren en leven na haar Wet, gelyk hier te lande, in 't houden van hare Sabatten, feestdagen als anders, althans (tegenwoordig) daarinne souden worden geturbeert ende dat men haar die privilegie soude tragten te ontnemen, ende alsoo sulcx strecken soude tot merckelykene nadeele van de commercie ende bevolkinge van 't voorsz. eylant, hebben wy nodigh geagt U. E. by desen aan te schryven hende serieuslyck te recommanderen die voorsieninge te doen ende soodanigen ordre te beramen, dat die van voorsz. Joodsche Natie aldaar by hun vorige vryheit en privilegie, haer vergunt, werden gelaten."

Enkele ontspanningen en vermaken, van christen-burgers of schepelingen uitgaande, die aanstootelijk werden geoordeeld voor de Joodsche medeburgers, werden voorts van hoogerhand geweerd. Alleen was de houding der gouverneurs ten dezen verschillend, al naar gelang zij den Joden gezind waren. Zoo hadden ten jare 1682 op Witten Donderdag de matrozen van een in de haven liggenden Spaanschen slavenhaler een zg. Judas aan de ra van 't schip opgehangen en een spel gespeeld met schapen, aan welke zij Joodsche namen hadden gegeven. De gemeente had hieraan aanstoot genomen, vooral omdat men meende dat hun rabbi in die Judaspop zeer duidelijk was nagebootst. p74De gouverneur Liebergen had toen aanstonds dien in effigie gehangen rabbijn van de ra laten nemen, en een plakaat uitgevaardigd waarbij het verboden werd, op straffe van 100 pesos (rijksd.) boete, arbitrale correctie tot lijfstraf en bannissement toe, om aan beesten onchristelijk namen te geven, of Judassen op te hangen vertoonende iemand van de Joodsche natie. Spaansche matrozen lieten zich echter niet zoo licht hun genoegen bederven; toen onder het bestuur van Nic. v. Beek een dergelijk incident zich voordeed, waarbij wederom het vee van Laban betrokken was en Judas aan de ra hing, veroorzaakte de repressie van dit vermaak een opstootje onder het scheepsvolk. De zaak kwam in den Kolonialen Raad ter sprake en werd nog een oorzaak van oneenigheid tusschen den gouverneur en den kapitein der burgerij, die 't naar schijnt voor de Spanjaarden had opgenomen.

Dezelfde gouverneur, Nicolaas van Beek, kwam nogmaals met de Joodsche ingezetenen in botsing, toen hij hen wilde verplichten hunne slaven ook op den sabbath aan de fortificatiewerken der Comp. te laten arbeiden. 't Is waar, die slaven zelve waren niet van het Israelietisch geloof, maar de Mozaïsche wet gebood alsdan onthoudenis van arbeid ook voor de onderhoorigen. Een verzoekschrift, door de Joden ter zake ingediend, werd niet ingewilligd, waarop de zaak in hooger beroep kwam bij bewindhebbers. En deze bevreemdden zich over de weigering van den gouverneur omdat, blijkens vroegere ervaringen, de Joden zelve aan die sabbathskwestie niet zwaar tilden, wanneer de kolonie werkelijk in gevaar verkeerde. Thans gelastten bewindhebbers dat aan het verzoek tot ontheffing alsnog voldaan zou worden, "want wy vermenen het ten dienste en voordeele van de Comp. te wesen, dat de Joodsche Natie aldaar behoorlijk werde gemainteneert".

Onder de industriën, waarop de Joden zich aanvankelijk het meest toelegden, behoorde de landbouwindustrie; o. a. de cultuur van de tabak, en daarmee verbonden de fabrikatie van sigaren en snuif. Het duurde echter tot het jaar 1783 alvorens de eerste snuiffabriek op Curaçao werd p75opgericht door een Franschen Jood, afkomstig van St. Domingo, die daarmee zijn fortuin maakte. Er was een tijd waarin dit artikel veel opleverde; nog in de 19de eeuw kon een schrijver over Curaçao, S. v. Dissel, getuigen:

"De snuifverkoopers hebben het goed. Ongeloofelyk veel snuif wordt er jaarlijks gedebiteerd daar bijna al wat vrouwelijk is, als het slechts tot zekere jaren is gekomen, snuift, en onderscheidene heeren dit voorbeeld volgen. Een klein blikken doosje, dat onderscheidene keeren des daags moet gevuld worden, is het bijna noodzakelijk geworden meubel, dat in zak of op tafel zelden gemist wordt."

Ook sigaren werden op het eiland bij duizendtallen gefabriceerd; de handel in dat artikel, zoomede in stroohoeden, huiden, maïs, katoen, copal, pinda's en andere cultuurgewassen was veelal in handen der Joden. Over den geldhandel legde dezelfde schrijver, v. Dissel, de verklaring af:

"Er wordt, vooral door de Israelieten, veel met geld gespeculeerd; zij kunnen over veel geld beschikken en ondernemen zaken waarover men verbaasd staat."

Er was echter nog een andere soort van handel, die van zooveel grooteren omvang was dan de overige takken van negotie, en waarbij tegenover veel risico ook aanzienlijke winst stond; nl. de slavenhandel. Zonder slaven geen goedkoope werkkrachten — op de geringe inheemsche Indianenbevolking viel ten dezen niet te rekenen — en voor het feit dat deze handel metterdaad berustte op menschenroof waren in de 17de eeuw, en nog wel later, de gewetens als 't ware toegeschroeid. Verscheidene Joodsche kooplieden namen aan dezen handel deel, ook aan den smokkelhandel als zg. enterloopers of lorrendraaiers, want de aanvoer van slaven was een monopolie van de W. I. Comp. Zij waren in dit opzicht niet beter of slechter dan de overige bewoners van het eiland, in een tijd waarin de slavernij eene gevestigde instelling was en Afrikaansche negers de gewone werkkrachten op de plantages waren. Zelfs hooggeplaatste personen waren bij dien handel betrokken p76en te Amsterdam, den zetel der West-Indische Compagnie, waren gezworen makelaars in slaven gevestigd, die met Spaansche handelshuizen in betrekking stonden. De eigenaars van West-Indische plantages rustten zelve schepen uit om, in weerwil van het (moeilijk te handhaven) monopolie der Comp. in Spaansche havens eene "zwarte lading" in te nemen en die naar Suriname, Curaçao, Brazilië en elders over te voeren. Doch dat het volksgeweten over dit eeuwenheugend misdrijf wel eens ontwaakte, verried somtijds de volksdichter, waar hij in zijne verzen of tooneelspelen dezen vloek der menschheid brandmerkte. G. A. Bredero bv., die zoozeer in de toestanden van zijne vaderstad Amsterdam thuis was, en die in zijn Moortje den jongeling Ritsart liet zeggen met het oog op den slavenhandel in de Braziliaansche havenplaats Fernambuco:

Onmenschelyck ghebruyck! Godloose schelmery!

Datmen de menschen vent tot paarsche slaverny!

Hier zynder oock in stadt, die sulcken handel dryven

In Farnabock: maar 't sal Godt niet verhoolen blyven.

Daarmee hielden slavenhalers echter geen rekening, Jood zoo min als Christen. Van een lid van eene bekende Curaçaosche familie, David Henriquez, leest men dat hij factoor of agent was van de Compagnie van Guinee, welke bestond van den slavenhandel. Zijn broeder, Philippe Henriquez, gaf in 1699 een verslag van zijn wedervaren te Cartagena, een Spaansche haven op de kust van Venezuela, werwaarts hij eene lading slaven had overgebracht. Hij werd in die haven gevangen genomen door de dienaren der H. Inquisitie, omdat hij verdacht werd propaganda te hebben gemaakt voor het Israelietisch geloof. Bij zijne ondervraging in de gevangenis legde hij de verklaring af dat hij te Amsterdam was geboren en dat, "besneede zynde, door myn ouders was genaemt Jacob zoon van Mordechay Senior en naerdat ick in de Negotie was gecomen, ick myn Grootvader naem had altoos gebruyckt, te weeten Philippo Henriquez, waermeede overal bekent was dat ick Joodt van Religie was."

p77 Deze Henriquez, die te voren in het Staatsche leger had gediend, was sedert kapitein op een slavenhaler geworden en had zijne gebrandmerkte waar — het bewys van eigendom werd den slaven in de huid gebrand — met voordeel afgeleverd in een dier havens van Venezuela, waarmede Curaçao een vaak levendigen handel dreef. Doch die handel bracht somtijds geschillen teweeg, waarin ook de Joden werden betrokken. Der den gouverneur J. N. du Fay, die in 1721 optrad, was voorgesteld een hospitaal voor zieke en gekwetste zeelieden op te richten, wier verpleging en onderstand tot dusver zeer gebrekkig waren geweest; in die mate dat het vaak moeilijk viel om voldoende volk voor de schepen te vinden. De kosten voor dat hospitaal wilde hij bestrijden uit vrijwillige bijdragen, instede van uit de kas der Comp. Doch een paar leden van den Raad, waar de zaak ter tafel kwam, beweerden dat er geld genoeg in die kas zou wezen indien het invoerrecht van één pCt. op Spaansche goederen niet op het drijven der Joodsche kooplieden ware afgeschaft. Daarbij zou zoo'n hospitaal het meest aan de belangen der Joden ten goeden komen, daar bijna alle scheepvaart op het eiland in hunne handen was en zij de kaperschepen uitrustten, wier ondernemingen tegen de Antillen en vreemde bodems zooveel verlies aan dooden en gekwetsten veroorzaakten. Wanneer nu de Joodsche belangen der de verwerping van dit hospitaalplan ernstig schade leden — welnu, in 't ergste geval moesten zij dan maar van de reederij afzien en zich gaan toeleggen op de zaken van den landbouw; zooals zij bij hunne komst op het eiland gedaan hadden.

Dit betoog werd echter krachtig wederlegd door David Senior, als woordvoerder voor de Joodsche belanghebbenden. De geschillen over deze kwestie liepen zoo hoog, dat de vergadering "in tumulte en oneenigheit" afliep; dat een der raadsleden, Isaac Levy Maduro, den gouverneur op hoogen toon afvroeg of men hier was gekomen om zich te laten beleedigen, en dat eindelijk David Senior handgemeen raakte met den bestrijder van het hospitaal-ontwerp Jan Martin, zoodat de gouverneur zelf tusschen p78beide moest komen om de vechtenden te scheiden.

De zaak had nog tengevolge, dat de parnassim openlijk in de synagoge den ban afkondigden tegen de raadsleden Martin, Berck en Eck, aan alle Israelieten verbiedend om met deze personen handel te drijven. Doch voor deze eigenmachtige berechting werden zij door den gouverneur veroordeeld tot eene boete van 2000 pesos (rijksd.). In hooger beroep kwam de zaak in de Kamer Amsterdam der W. I. Comp. terecht, welke de handelwijze der parnassim afkeurde, maar evenzeer het bezigen van scheldwoorden in eene officiëele vergadering. Dit doelde op den uitroep van het raadslid Cornelis Berck: "Zou ik mij laten commandeeren door donderse smausen!" — hetgeen toen van beide kanten meer onakademische uitdrukkingen had uitgelokt. In zake de uitgesproken boete werd de gouverneur intusschen uitgenoodigd "alle mogelijke devoiren aan te wenden om de executie van zoodanig vonnis te modereeren". Men wist zeker wel, dat het op Curaçao niet anders gesteld was dan in Suriname, waar de gouverneur Jan Jacob Mauricius zich eens uitgelaten had: "Gij zult eerder aan Hercules zijn knods dan aan een Nederlander zijn beurs ontweldigen!"

De gouverneur du Fay deelde de berisping der Kamer aan de parnassim mede en bracht hun onder het oog dat zij niet gerechtigd waren om zelf de wet in handen te nemen. Overigens gedroeg hij zich naar de aanwijzing van bewindhebbers, die 't aan zijne prudentie hadden overgelaten om dit van blauwe oogen vergezeld geschil in der minne te vereffenen, en rust en vrede op het eiland te herstellen. Hoofdzaak voor de Joodsche partij was, dat het zeeliedenhospitaal toch tot stand kwam en dat deze stichting weldra een gunstigen invloed uitoefende op het bemannen der schepen.

In 1731 was de Joodsche gemeente reeds tot zoodanigen wasdom gekomen, dat de synagoge vergroot kon worden.

[image ALT: zzz]

De 18e‑eeuwse synagoge van Curaçao.

Photo © Jona Lendering 2014, met toestemming.

Maar 't was niet groot genoeg, want reeds tien jaren later bleek het gebouw niet meer aan de behoefte te voldoen. Daarom werd vergunning gegeven om aan de overzijde der haven, in Otrabanda, eene tweede synagoge te vestigen p79in een huis met erf, dat door Mozes Penso kosteloos voor dit doel was afgestaan. De Joden, welke in dit stadsgedeelte hunne godsdienstplichten kwamen vervullen, verlangden nu onder eigen parnassim te staan, en niet meer onder die van de oude gemeente. Nieuwe beroering was hiervan het gevolg. De parnassim van Willemstad kwamen tegen dezen eisch in verzet en brachten het geschil voor den Raad, waarop deze besliste dat de toestand op den ouden voet gehandhaafd zou blijven. Derhalve in de nieuwe synagoge geen nieuwe parnassim. Nu wendden zich ten jare 1746 Mozes Penso met een veertigtal zijner volgelingen tot de Kamer Amsterdam en legden voor deze hunne grieven open. Doch 't was nagenoeg terzelfdertijd dat 235 van hunne geloofsgenooten, "van de voornaemste van de Joodse natie van het eyland", eene contra-mijn lieten springen. Zij verzochten nl. aan de Portugeesche gemeente te Amsterdam om bij de Kamer tegen het drijven van Penso c. s. te protesteeren en betoogden in hun verzoekschrift dat door twee synagogen, elk met eigen parnassim, eene geheele scheuring onder de Joodsche gemeente op Curaçao zou ontstaan.

De Amsterdamsche kerkvoogden voldeden aan deze opdracht. Zij gaven daarbij aan bewindhebbers tevens te kennen dat, naar hunne overtuiging, de geschillen ten dezen te wijten waren aan den invloed van zekeren Italiaanschen Jood, David Aboab,2 afkomstig van Jamaica. En aangezien deze scheuringmaker sedert naar dat eiland was teruggekeerd, zoo was er alle kans dat de oneenigheden nu bijgelegd zouden worden. Bewindhebbers zonden daarop aan den gouverneur Faesch instructie om de zaak vooreerst op haar beloop en laten, en eene oplossing af te wachten als door de Amsterdamsche parnassim voorzien. Evenwel, contrarie die verwachting, duurden ook na Aboab's vertrek de geschillen tusschen beide partijen nog voort, en liepen zelfs zoo hoog dat het in 1749, in de Heerenstraat te Willemstad, tot eene vrij p80ernstige botsing kwam. Eerst in 't volgend jaar kwam er een eind aan de zaak doordat de prins-stadhouder Willem IV een besluit uitgevaardigde (opgesteld in het Hollandsch, Spaansch en Portugeesch) waarbij aan de Israelieten op het eiland gelast werd zich met elkaar te verzoenen, en hunne parnassim te gehoorzamen. Een algemeene dank- en bededag werd uitsgeschrijven; aan kerkvoogden werd verboden om weer van den kerkelijken ban gebruik te maken, tenzij in zeer notoire, gedecideerde gevallen, en tevens werd bepaald dat de Israelietische gemeente zich voortaan gedragen zou naar de reglementen, door de parnassim van de Portugeesche gemeente vast te stellen en door den prins goed te keuren. Maar dit zou geschieden onverminderd de rechten en privilegiën, welke de gemeente op Curaçao reeds mocht bezitten.

Volgens de vigeerende bepalingen waren de Joden aanvankelijk niet benoembaar tot leden van den Kolonialen Raad. De instructie voor den in 1764 opgetreden gouverneur Jean Rodier bepaalde, dat voor den Raad in aanmerking zouden komen "die van de voornaemste en vroomste opgezetenen, doende professie van de Gereformeerde religie", mits ze niet onderling vermaagschapt waren. Doch het voorbehoud daarbij luidde: "of zoodanige andere Personen als de Comp. in tijden en wijlen zal goedvinden tot Raden te eligeren en aan te stellen." Het geloof werd hierbij buiten spel gelaten; men had alsdan ook de Roomschen en de Lutherschen, die te Willemstad mede hun eigen kerk hadden, moeten uitsluiten. In eene kleine koloniale samenleving was het exclusivisme om des geloofs wille op den duur niet vol te houden; de hospitaalkwestie onder den gouverneur du Fay (1721‑1730) toonde aan, dat er reeds in dien tijd Joden in den Raad zitting hadden. Alleen waren zij niet zoo ver als hunne geloofsgenooten van de Joodsche Savanne in Suriname, wier onder het Engelsch bestuur verkregen voorrechten bij charter van 17 Aug. 1665 waren vastgesteld, die eene zelfstandige burgerkompagnie onder een eigen kapitein en officieren vormden en een eigen vierschaar hadden voor het burgerlijk recht.

p81 De gemeente had ook haar eigen armwezen; zij ondersteunde hare behoeftige leden door eene maandelijksche uitdeeling. Later, nadat Curaçao in 1807 den Engelschen bij verrassing in handen was gevallen, werd ook eene Joodsche Weeskamer opgericht en van eene instructie voorzien. Vóór dien tijd waren de parnassim en de penningmeester belast geweest met de ab intestato boedels van personen tot hunne gemeente behoorende. Zij moesten alleen, alvorens die te aanvaarden, speciale kwalificatie van den Raad daartoe verzoeken.

Het Joodsche element vormde een van de drie groepen, waarin de bevolking van het eiland gesplitst kon worden; nl. de afstammelingen der oude Nederlandsche kolonisten, die van de geïmporteerde slavenbevolking en hare bastaarden (kleurlingen) en die van de vroegere Spaansche bezitters van het eiland, welke grootendeels van Joodschen stam waren. Ook bedienden deze Joden zich meestal van de Spaansche taal, welke mede op de scholen onderwezen werd. Voorts van Engelsch en Fransch; het Hollandsch, ofschoon de officieele, ambtelijke taal, was in het dagelijksch leven de minst gebruikelijke. Ten jare 1911 waren er op het eiland ook slechts 302 geboren Hollanders. Doch onder de Joodsche gemeente, die prat ging op hare meerdere beschaving boven de overige ingezetenen, hare liefde voor Joodsche wetenschap, voor taal-, land- en volkenkunde, waren er velen die Hollandsch spraken, of voor 't minst verstonden.

Het aantal Israelieten op Curaçao werd in 1899 geschat op en duizendtal. Twaalf jaren later werden op eene bevolking van 32.846 zielen, met inbegrip van de 174 militairen van het garnizoen, 701 Israelieten gevonden, en in 1914 werd hun aantal opgegeven met 607. Zoo deze cijfers achteruitgang toonden, dan was dit wellicht te wijten aan het feit dat de Joden, die als 't ware ééne grooten familie vormden, steeds huwelijken onder elkaar sloten. Of anders — want dezelfde oorzaak bestond reeds vroeger — dat er, door immigratie uit Nederland of van elders, niet meer zooveel nieuw bloed in hunne gemeenschap kwam.

Onder alle wisseling van voor- en tegenspoed in de p82kolonie, alle beroerten in eigen boezem, alle bestuursveranderingen: van Spaansch tot Nederlandsch, van Nederlandsch tot Engelsch en van Engelsch weder tot Nederlandsch, handhaafde de Joodsche gemeente op Curaçao zich als een aaneengesloten kerkgenootschap, verbonden door het geloof der vaderen. Zij handhaafde zich ook als onafhankelijk lichaam; zelve stelde zij hare rabbi's aan en betaalde die uit eigen middelen, terwijl zij noch aan gouverneur en raad, noch aan bewindhebbers eenige verantwoording schuldig was nopens den staat der gemeente of der kerkelijke kas. Alleen wanneer zij zelve de overheid met hare hoogloopende geschillen aan boord kwam, gaf zij tijdelijk die onafhankelijkheid prijs. Zij mocht roemen op eene synagoge ouder dan die van Paramaribo, welke eerst van 1719 dagteekende; en ook op het feit dat, toen de synagoge van de Joode Savanne reeds tot een begroeide puinhoop was geworden, die van Willemstad nog overeind stond als middelpunt van een opgewekt godsdienstig leven. Meer nog mocht zij roemen op een bloei, die in koloniën van meer beteekenis achterwege was gebleven.

Mr. H. J. Koenen schreef in zijne Geschiedenis der Joden in Nederland, dat de Hoogduitsche Joden op Curaçao nimmer talrijk genoeg waren geweest om eene afzonderlijke gemeente te kunnen vormen; en verder:

"Eene eigene Geschiedenis kan men dus ook naauwelijks zeggen dat deze Joodsche nederzetting heeft. Alleenlijk verdient vermelding, dat toen in 1805 de Engelschen een vruchteloozen aanval op dit eiland deden, de Joden aldaar woonachtig hun plicht ter verdediging van hetzelve moedig betracht hebben, zoodat een van hen, zijnde Daniël Cardoso geboortig van Amsterdam, bij die gelegenheid gesneuveld is".

Het mocht inderdaad een opmerkelijk verschijnsel heeten, dat in het kleine Suriname en op het nog kleiner Curaçao het Jodendom zich aanstonds tot eene vaste eenheid consolideerde, terwijl in het zooveel grooter en rijker Oostindië die eenheid ver te zoeken was. De Joodsche emigranten die, evenals de Christenen, Oostindië p83slechts als een groot passantenhuis plachten te beschouwen, verlieten après fortune faite de kolonie metterhaast en keerden tegen naar hun geboorteland; terwijl in Westindië de Joden eene vaste gemeenschap vormden en geslachten achtereen op den grond bleven wonen. In Oostindië bleef het Jodendom eeuwen lang op losse schroeven staan. De vertegenwoordigers van het Semietische ras verloren zich als 't ware in de massa. Zij waren er als eene verspreide kudde zonder herder, hun aantal was niet voldoende om zich tot eene religieuse gemeenschap aaneen te sluiten, noch bestond er een band met eene Amsterdamsche moedergemeente. Velen namen het met de ritueele voorschriften van hun godsdienst niet te nauw, sommigen huwden Christenvrouwen, anderen werden zelve Christen. Eene synagoge werd in hun midden niet opgericht, en het gestoelte van den rabbi bleef ledig. Het zou tot op onze dagen duren alvorens zij, en dan nog slechts op enkele hoofdplaatsen, eene eigen begraafplaats konden aanleggen. Voor den orthodoxen Jood was Oostindië eene verdorde provincie.

(Omtrent de reden waarom er zoo weinig Joden naar Oostindië trokken stond de geschiedschrijver, Mr. Koenen, de meening voor:

"Het komt ons niet onwaarschijnlijk voor, dat zij uit de Oost zijn teruggehouden door de voor hen zoo gevaarlijke mededinging der Chinezen, die men wel eens de Joden van Oostindië noemt, daar zij door schranderheid, doorslepenheid, ijverig winstbejag en rustelooze, wel eens woelige handelsbedrijvigheid het beeld der ballingen uit Kanaän vertoonen. Neemt men deze verklaring aan, dan laat zich lichtelijk begrijpen waarom zij zich in de Westindiën, waar de inlanders door hunne beperktheid van vermogens hun veel schooner gelegenheid lieten, bij voorkeur gevestigd hebben").

Voor dezen gezonken staat in het groote Aziatische eilandrijk gaven de Joode Savanne in de dagen van haren bloei, de synagoge van Paramaribo, de synagoge van Willemstad, de sprekende tegenstelling. En sedert de Joden op den grond van Curaçao onder de Nederlandsche p84wet volkomen godsdienstvrijheid hadden gevonden, sedert zij op dit eiland hunne welvaart hadden opgebouwd en de erfenis van de uitgestorven inheemsche Indianenbevolking aanvaard, mochten zij het woord van den Psalmist gedenken:

"En Hij (de Heer) gaf hun de landen der Heidenen, zoodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken. Opdat zij zijne inzettingen onderhielden, en zijne wetten bewaarden").3


Noten van de auteur:

1 Zie ook de "Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië", onder het hoofd "Israëlitische Gemeenten", blz. 389.

[decorative delimiter]

2 Tot dit geslacht behoorde waarschijnlijk de populaire opperrabbijn Ishak Aboab, van wien portretten aanwezig waren op de Ghetto-tentoonstelling van 1916.

[decorative delimiter]

3 Psalm CV.44 en 45.


[image ALT: Valid HTML 4.01.]

Pagina bijgewerkt: 13 feb 14